5 stellingen van Erik Schut

23 mei 2018

Erik Schut, hoogleraar Economie van de Gezondheidszorg aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit, geeft in het vijfde deel van De mondzorg in 2030 zijn visie op onder meer de relatie tussen tandarts en zorgverzekeraar. Hoe moeten zij elkaar zien? Als vrienden of als vijanden?

1‑ Ook in 2030 is de zorgverzekeraar een factor om rekening mee te houden

“Hoe je het ook wendt of keert, zorgverzekeraars zijn degenen die de rekening betalen. Natuurlijk willen ze de kosten in de hand houden, vandaar ook hun bemoeienis. Alleen door de kosten te beheersen blijft de premie van de aanvullende verzekering betaalbaar, wat de tandheelkundige zorg voor een heel grote groep mensen bereikbaar houdt.

Geen verantwoording willen afleggen en zeggen dat de verzekeraar maar te betalen heeft omdat je als tandarts je werk toch goed doet, is heel gemakkelijk en ook kortzichtig. Natuurlijk is het gros van de tandartsen integer, maar er zijn er ook die de ruimte pakken als ze daartoe de gelegenheid krijgen. En ik vind het bij uitstek een taak van de zorgverzekeraar om er, in het belang van de verzekerde, op te letten dat tandartsen doelmatige zorg verlenen.

Dat is uiteindelijk, op de lange termijn, ook in het belang van de goed werkende tandarts. Ook die is erbij gebaat dat een collega die het systeem naar zijn hand wil zeten, misschien teveel doet en het niet zo nauw neemt met de regels, wordt teruggefloten. Alleen dan blijft de tandheelkundige zorg voor iedereen verzekerbaar en betaalbaar, zodat mensen de tandarts blijven bezoeken.”

 

2 ‑ Of de regeldruk van zorgverzekeraars in 2030 is afgenomen, hangt van de tandarts zelf af

“Om hun controlerende rol te kunnen blijven uitvoeren, stellen zorgverzekeraars regels op. Het zijn vooral generieke regels, die op individueel niveau soms niet goed uitpakken. Hoe verder zorgverzekeraars op afstand staan, hoe meer bureaucratie tandartsen over zich heen krijgen. Als ze daaraan willen ontkomen, zal de beroepsgroep zich transparant moeten opstellen.

Ze zal ervoor moeten zorgen dat zorgverzekeraars over voldoende informatie beschikken om te kunnen beoordelen of er goed wordt gehandeld. Een systeem van peer reviews, oftewel collegiale toetsing, waarvan de informatie met verzekeraars wordt gedeeld, is een goed voorbeeld van hoe dat zou kunnen. Als de beroepsgroep ervoor kiest die openheid niet te bieden, dan zullen de verzekeraars er zelf voor zorgen dat ze de benodigde informatie krijgen.

Reken er in dat geval op dat ze alleen maar steeds stringentere regels gaan opstellen. Het mooiste zou natuurlijk zijn wanneer tandartsen en verzekeraars elkaar weten te vinden: de verzekeraar organiseert een e­ffectieve peer review, trekt daar een bedrag voor uit en in ruil daarvoor houden tandartsen elkaar scherp.

Dus als de beroepsgroep het anders wil: laat collega’s meekijken en beoordelen, en deel de resultaten met zorgverzekeraars opdat die kunnen beoordelen of er zorgvuldig en doelmatig wordt gewerkt. Want je zult verantwoording aan die verzekeraar moeten afl eggen, linksom of rechtsom.”

 

3  ­‑ Over twaalf jaar zijn de zorgkosten nog niet beteugeld

“De zorgvraag zal toenemen naarmate er meer ouderen komen. Dat betekent meer langdurige en meer curatieve zorgkosten, gewoon omdat er meer mensen zijn die langer leven. Zelfs al leven we met zijn allen langer gezond, dan betekent meer ouderen meer zorgkosten.

En er zijn de voortgaande technologische ontwikkelingen die de zorg duurder maken, zoals nieuwe medicijnen. Om de zorgkosten te beteugelen zet de overheid in op zinnige zorg en gaat ze verspilling en onnodige praktijkvariatie tegen. Ook maakt ze afspraken met het veld en verzekeraars over beperking van de groei en het bevorderen van effciëntie en doelmatigheid en faciliteert ze nieuwe bekostigingsmethoden.

Een daarvan is shared savings; verzekeraars maken afspraken over het aantal behandelingen, houd je je daar als ziekenhuis of behandelaar aan dan krijg je een deel van de bespaarde kosten. Zo realiseer je dat er minder wordt gedaan, mits dat natuurlijk kan en verantwoord is.”

 

4 - In 2030 zal sprake zijn van een mix tussen een abonnementssysteem en een verrichtingensysteem

“Ook inzetten op preventie kan de zorgkosten doen dalen. Echter, wanneer je op preventie inzet, kan dat ten nadele gaan van je inkomen. Een financieringssysteem op basis van een abonnement kan dat tegengaan. Daarbij krijgen patiënten voor een vast bedrag alle benodigde tandheelkundige zorg. Zo’n abonnementssysteem stimuleert preventief werken; hoe minder een tandarts hoeft te doen, hoe gunstiger dat financieel voor hem is.

Nadeel is weer dat het risico bij de tandarts ligt, hij wordt in die zin een soort verzekeringsmaatschappij. Punt is ook dat je voldoende patiënten moet hebben om zo’n systeem levensvatbaar te houden, en dat die patiëntenpopulatie niet te eenzijdig mag zijn samengesteld. Want als je heel veel patiënten hebt met veel klachten, bijvoorbeeld ouderen, moet je in vergelijking met een collega met patiënten die nauwelijks zorg nodig hebben veel harder werken voor hetzelfde honorarium. Ik zie een abonnementssysteem sec dan ook nog niet zo een, twee, drie populair worden.

Een veel grotere kans van slagen heeft een mixsysteem, vergelijkbaar met wat de huisartsen hebben. Die hebben een inschrijftarief, maar worden ook betaald voor verrichtingen. Zo is er sprake van een redelijke honorering voor de zorgverlener. Bovendien dempt het de prikkels voor onderbehandeling, wat bij een abonnementssysteem zou kunnen voorkomen, en overbehandeling, bij een verrichtingensysteem.

Zorgeconomen zien een mix veelal als beste systeem om zorg betaalbaar te houden bij een adequaat honorarium, in combinatie met het stimuleren van preventie.”

 

5 - Ook in 2030 zullen tarieven gereguleerd zijn

“Er zijn verschillende redenen om tarieven te reguleren. Van belang is om een onderscheid te maken tussen basis- en aanvullende verzekering. De overheid heeft bepaald dat de zorg in de basisverzekering voor iedereen toegankelijk moet zijn en wil om die reden indien nodig de prijs kunnen reguleren.

Voor zorgvoorzieningen die niet in het basispakket zijn opgenomen– zoals het grootste deel van de tandheelkundige zorg – kunnen patiënten zich aanvullend verzekeren. De overheid mag op grond van de Europese verzekeringsrichtlijnen de aanvullende verzekering niet reguleren en kan voor deze zorg dus ook geen solidariteit afdwingen.

De overheid kan echter wel indirect de betaalbaarheid van deze zorg bevorderen door de prijzen te reguleren, zoals in het geval van tandheelkundige zorg. Prijsregulering zou niet nodig zijn als de prijzen en kwaliteit voor de zorgverzekeraar en de patiënt voldoende transparant en begrijpelijk zijn en de patiënt kan kiezen uit voldoende tandartsen.

Aan die voorwaarden wordt momenteel niet voldaan. Of dit in 2030 wel het geval zal zijn, betwijfel ik. Maar dit zal mede afhangen van de inspanningen van de beroepsgroep om de prijs en kwaliteit van tandheelkundige zorg voor verzekeraar en patiënt beter inzichtelijk te maken.”

Erik Schut is hoogleraar Economie van de Gezondheidszorg aan de Erasmus School of Health Policy and Management (ESHPM) van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zijn onderzoek concentreert zich op marktwerking en regulering in de gezondheidszorg en zorgverzekeringen. Hij is tevens als academic partner verbonden aan het Centraal Planbureau (CPB).

Tekst: Evert Berkel // Beeld: Rob ter Bekke

0 reacties op 5 stellingen van Erik Schut