CBCT-beelden en implantaatposities

20 augustus 2019

De Nijmeegse studenten Sanne Korsten en Guido Kielenstijn onderzochten voor hun scriptie hoe op CBCT-beelden geplande implantaatposities nauwkeuriger kunnen worden overgebracht naar de patiënt.

Het onderzoek van Sanne Korsten en Guido Kielenstijn naar het nauwkeuriger overbrengen van op CBCT-beelden geplande implantaatposities naar de patiënt ​is één van de vijf genomineerde inzendingen voor de NT-GSK Bachelorscriptie Award 2019. Het onderzoek is gedaan in Nijmegen en werd begeleid door Gert Meijer.

Ondanks de betere kwaliteit van preventieve tandzorg, bestaat er nog altijd tandeloosheid in de wereld. De prevalentie van tandeloosheid wordt in stand gehouden door de toename van de gemiddelde leeftijd van de bevolking. Om orale functies, levenskwaliteit en gezondheid van edentaten te waarborgen, zijn hulpmiddelen ontworpen. Een dergelijk hulpmiddel is de volledige gebitsprothese. Voor sommige patiënten is dit een goede, functionele oplossing voor tandeloosheid, maar voor een aantal brengt de gebitsprothese blijvende klachten met zich mee zoals het loszitten van de gebitsprothese. Met het oog op de populairder wordende implantologie, wordt in zulke gevallen steeds vaker gekozen voor een implantaatgedragen prothetische voorziening. 

Micro-implantaat gedragen boormallen

Een correct geplaatst implantaat geeft het beste resultaat op het gebied van stabiliteit van het implantaat, stabiliteit van de omliggende weefsels, esthetiek en pasvorm van de prothetische voorziening. Als gevolg van foutieve implantaatplaatsing, ontstaan dan ook regelmatig complicaties. Om het implantaat op de juiste locatie te plaatsen, wordt tegenwoordig gebruik gemaakt van op CBCT-beelden geplande implantaatchirurgie. De geplande locaties worden overgebracht naar de mond aan de hand van een boormal. Door technische aspecten van de boormal, maar vooral door een onstabiele, mucosaal afgesteunde positie van de boormal treden afwijkingen tussen de geplande en de gerealiseerde implantaatpositie op. Dit probleem, dat vooral bij de mandibula speelt, zou mogelijk beperkt kunnen worden door het gebruik van micro-implantaat gedragen boormallen. Tahmaseb et al. heeft al veelbelovende klinische resultaten behaald met micro-implantaat gedragen boormallen (2012). Onderzoek was nodig om te bepalen of overdracht van op CBCT-beelden geplande implantaatposities significant nauwkeuriger is op basis van een op micro-implantaten afgesteunde boormal dan zonder gebruik van micro-implantaten.

Bekijk de video

 

Deze inhoud is geblokkeerd door uw cookie voorkeuren.

 

Onderzoeksopzet


Om te onderzoeken of op CBCT-beelden geplande implantaatposities aan de hand van micro-implantaten nauwkeuriger overgebracht kunnen worden naar de edentate onderkaak, zijn vier humane edentate mandibula’s (met zachte weefsels aanwezig) gebruikt. Per kaak zijn drie micro-implantaten aangebracht. Vervolgens is van deze situatie een pre-operatieve CBCT-scan vervaardigd, waarop de implantaatposities zijn gepland. Gebaseerd op deze planning, kon de boormal gefabriceerd worden. Na het plaatsen van vier implantaten per mandibula met de boormal afsteunend op de micro-implantaten in situ, is een post-operatieve CBCT-scan gemaakt. De pre-operatieve CBCT-scan met geplande implantaatposities en de post-operatieve CBCT-scan zijn voor vergelijk over elkaar geprojecteerd. Voor de schouder, tip, diepte en angulatie van de implantaten (figuur 1) zijn de afwijkingen in millimeters/graden bepaald in het mesiodistale en buccolinguale vlak. Deze resultaten zijn vergeleken met voorgaand onderzoek van het Radboudumc, waar dezelfde procedure is gevolgd, maar dan zonder micro-implantaten. 

Resultaten


Figuur 2 laat de gemiddelde afwijkingen in het mesiodistale en buccolinguale vlak uit dit onderzoek zien, vergeleken met de waarden uit het onderzoek waarbij geen micro-implantaten zijn gebruikt. De gemiddelde implantaatafwijkingen zijn bij gebruik micro-implantaten kleiner dan zonder micro-implantaten, met uitzondering van de angulaire afwijking in het mesiodistale vlak. In het mesiodistale vlak zijn de afwijkingen van de schouder en de diepte significant (p < 0.05) kleiner bij het gebruik van micro-implantaten. In het buccolinguale vlak geldt dit voor de afwijkingen van de tip, schouder en diepte. Naast de afwijkingen in millimeters/graden is de richting van de afwijking van de tip en de schouder bekeken, aangezien deze klinisch invloed heeft op het succes van de implantaatplaatsing. De richting van de afwijking is ook tussen de groepen met en zonder micro-implantaten vergeleken (figuur 3, 4). In met mesiodistale vlak zijn qua richting geen significante verschillen gevonden. In het buccolinguale vlak daarentegen, wordt het implantaat met behulp van micro-implantaten significant (p < 0.05) vaker met de schouder linguaal en de tip buccaal geplaatst. 

Discussie


De uitgevoerde trial laat zien dat de nauwkeurigheid van implantaatoverdracht van een 3D-planning op basis van CBCT-beelden naar de edentate mandibula van de patiënt verhoogd wordt door gebruik van micro-implantaten. De richting waarin de afwijking significant vaker optreedt, met de schouder linguaal en tip buccaal, is relatief gunstig in vergelijking tot andere richtingen: minder kans op uitbraak door de botwanden van de mandibula. De gevonden resultaten komen qua orde van grootte overeen met vergelijkbaar onderzoek. Exacte vergelijking van waarden is echter niet mogelijk, aangezien dit het enige onderzoek is waarbij de afwijkingen per vlak worden uitgesplitst. Factoren die hebben kunnen interfereren met de validiteit en betrouwbaarheid van het onderzoek zijn onnauwkeurigheden die zijn ontstaan bij het gebruik van de CBCT-scan en deviaties die veroorzaakt zijn tijdens het plaatsen van de implantaten als gevolg van speling van de boor in de boormal. Deze speling houdt de mogelijkheid tot het creëren van angulaire afwijkingen tijdens het plaatsen van het implantaat in stand. Dit verklaart de niet-significante verschillen tussen de angulaire afwijkingen bij wel en geen gebruik micro-implantaten. Met onbekende oorzaak zijn in één kadaverkaak relatief grote afwijkingen tussen geplande en werkelijke implantaatpositie gevonden, waardoor de gemiddelde afwijkingen mogelijk onrechtvaardig verhoogd zijn. Door het geringe aantal kadaverkaken was de onderzoekspopulatie daarnaast mogelijk minder representatief. 

Klinische implicaties


Voor implementatie van micro-implantaten in de implantologie, dienen de resultaten klinisch ook relevant te zijn. De zachte weefsels bij patiënten zijn dynamischer dan bij kadavers. Wellicht heeft dit invloed op de resultaten. Verder is het belangrijk om de voor- en nadelen van micro-implantaten af te wegen. Nauwkeurige implantaatplaatsing met bijkomende voordelen op het gebied van implantaatstabiliteit, veiligheid en esthetiek, staat tegenover een aanvullende, kleine chirurgische ingreep. Waar 3D-technieken steeds gangbaarder worden in de algemene praktijk en tandartsopleiding, is deze procedure op termijn ook eenvoudig bij iedere tandarts-implantoloog in de algemene praktijk uitvoerbaar. De nauwkeurige implantaatoverdracht moet constant zijn en opwegen tegen de bijkomende belasting voor patiënt door de extra chirurgische ingreep, wil de onderzochte methode klinisch aanbevolen gaan worden. Aanvullend onderzoek, bij voorkeur een prospectieve klinische studie bij een grotere patiëntpopulatie, is wenselijk. 

Conclusie


Het gebruik van micro-implantaten voor de afsteuning van de boormal bij het overbrengen van op CBCT-beelden geplande implantaatposities naar de edentate onderkaak leidt tot een meer nauwkeurige implantaatoverdracht dan zonder gebruik van micro-implantaten. De richting van de afwijking is tevens gunstiger. Micro-implantaten bieden klinisch relevante voordelen, echter is nader onderzoek gewenst voor implementatie in de algemene praktijk.

0 reacties op CBCT-beelden en implantaatposities