De Wet DBA: kabinet Rutte 3 zint op aanpassingen

05 december 2017

De anderhalf jaar geleden ingevoerde Wet DBA is, op z’n zachtst gezegd, erg ingewikkeld. De nieuwe regering wil hem daarom op verschillende punten aanpassen. Hebben die eventuele aanpassingen consequenties voor tandartsen–praktijkhouders en tandartsen-zzp – en zo ja, welke?

De invoering van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties, in mei 2016, heeft niet het resultaat opgeleverd dat de overheid er van verwachtte. De afschaffing van de VAR en het vrijstellen van opdrachtgevers van de inhoudingsplicht voor de loonheffingen als er wordt gewerkt met, en conform een door de Belastingdienst positief beoordeelde overeenkomst van opdracht, heeft vooral gezorgd voor onzekerheid. De staatssecretaris van Financiën heeft mede daarom besloten om niet handhavend op te treden wanneer opdrachtgevers en opdrachtnemers de regels niet juist uitvoeren. Deze periode van niet-handhaven geldt tot 1 juli 2018 en geeft ten minste aan de opdrachtgevers de zekerheid dat zij niet zullen worden geconfronteerd met naheffingen. Gedurende deze termijn denkt de overheid na over het aanpassen van de beoordelingscriteria, zodat opdrachtgevers en opdrachtnemers beter in staat zijn om in te schatten op welke wijze hun arbeidsrelatie wordt beoordeeld. In het regeerakkoord is opgenomen dat de Wet DBA wordt vervangen.

Onzeker

De periode van het niet-handhaven heeft geen invloed op de beoordeling van het ondernemerschap van de opdrachtnemer onder de huidige regelgeving. Met het vervallen van de VAR beoordeelt de Belastingdienst achteraf of een tandarts-zzp is aan te merken als een ondernemer voor de Wet Inkomstenbelasting. Daarbij worden de verschillende opdrachten zowel afzonderlijk als in samenhang beoordeeld. Dit om te bepalen of er in voldoende mate sprake is van ondernemersrisico’s en voor ondernemers kenmerkende activiteiten. Deze ondernemerskenmerken zijn structureel of als keuzes opgenomen in de modelovereenkomst van opdracht voor tandartsen, zoals die gezamenlijk is ontwikkeld door de KNMT, ANT en VvAA. Kern is dat een dergelijke overeenkomst wordt aangegaan voor een bepaalde duur, en idealiter in verband met een bijzondere situatie die de reden is om een vervanger aan te stellen (waarneming), of het aantal tandartsen tijdelijk uit te breiden (praktijkmedewerking). Tijdelijkheid is echter in de relatie tussen patiënt en behandelaar niet altijd wenselijk. Het is begrijpelijk dat veel samenwerkingsrelaties tussen opdrachtgever en tandarts-zzp een meer duurzaam karakter hebben. Een meer duurzame samenwerking is echter van invloed op het ondernemerschap van de tandarts-zzp.

Uitspraak

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zich recent uitgesproken over het ondernemerschap van een tandarts die gedurende een langere periode hoofdzakelijk met opdrachtgevers in één praktijk heeft samengewerkt. De zaak heeft betrekking op de periode dat de VAR nog gold, waarbij de Belastingdienst een eerder oordeel over het ondernemerschap van deze collega heeft herzien. Op basis van de werkelijke situatie vond de Belastingdienst achteraf dat er geen sprake was van ondernemerschap, maar van het behalen van resultaat uit overige werkzaamheden. Het Gerechtshof heeft de fiscus gevolgd in deze herziening en daarbij vastgesteld dat:

  • de opdrachtnemer geen debiteurenrisico van enig belang heeft gelopen;
  • de opdrachtnemer geen investeringen heeft gedaan in de onderneming van opdrachtgever;
  • de opdrachtnemer niet verantwoordelijk is voor het personeelsbeleid, planning en organisatie, het beheer van het patiëntenbestand of overige werkzaamheden;
  • de opdrachtnemer niet of nauwelijks actief is geweest om meer opdrachtgevers te verkrijgen en
  • de opdrachtnemer haar inkomsten voor meer dan zeventig procent bij één opdrachtgever heeft behaald.

Deze combinatie van factoren, en dan met name de combinatie van het niet dragen van het debiteurenrisico en het realiseren van meer dan zeventig procent van de inkomsten bij één praktijk, biedt aan de Belastingdienst de basis om de werkzaamheden van andere tandartsen die duurzaam en hoofdzakelijk bij één opdrachtgever zelfstandig patiënten hebben behandeld, niet langer aan te merken als zelfstandig ondernemerschap.

Regeringsplannen

De periode van niet-handhaven loopt medio 2018 af. Het kabinet Rutte 3 heeft nieuwe regels aangekondigd op basis waarvan eenduidiger kan worden beoordeeld hoe een arbeidsrelatie moet worden gezien. Daarnaast zal de overheid het criterium werkgeversgezag op een meer praktische wijze invullen. De aanvullende beoordelingscriteria gaan over het honorarium, duur en de aard van de activiteiten. Ze zijn vooralsnog als volgt uitgewerkt:

  • Een opdracht waarbij de opdrachtnemer een gemiddeld uurtarief ontvangt dat lager is dan € 18,- (ook wordt € 15,- genoemd) en waarbij de duur van de opdracht langer is dan drie maanden of waarbij de opdrachtnemer reguliere activiteiten verricht in de onderneming van de opdrachtgever wordt aangemerkt als arbeidsovereenkomst.
  • Bij een opdracht waarbij de opdrachtnemer een gemiddeld uurtarief ontvangt tussen € 18,- (of € 15.-) en € 75,- kan door de opdrachtgever met inzet van een webmodule worden beoordeeld of er sprake is van een dienstbetrekking of van een overeenkomst tussen zelfstandigen. Krijgt de opdrachtgever een zogeheten ‘opdrachtgeversverklaring’ dan levert dat een vrijstelling op voor de inhoudingsplicht voor de loonheffingen. De opdrachtgever is verantwoordelijk voor de juiste toepassing van deze webmodule, maar de uitkomst van de beoordeling is niet van invloed op de beoordeling van het ondernemerschap van de opdrachtnemer. Zijn de vragen in de webmodule niet naar waarheid beantwoord, dan kan de opdrachtgever geen beroep doen op de opdrachtgeversverklaring.
  • Een opdracht waarbij de opdrachtnemer een gemiddeld uurtarief ontvangt dat hoger is dan € 75,- biedt aan de opdrachtnemer de mogelijkheid om te kiezen voor een ‘opting-out’ regeling, dus een keuze om niet onder de werknemersregeling te vallen. Deze optie is niet van toepassing wanneer de opdracht het uitvoeren van reguliere activiteiten in de organisatie van de opdrachtgever betreft of de duur van de opdracht langer is dan één jaar.

Tandartsen-zzp verrichten uiteraard reguliere activiteiten in de organisatie van de opdrachtgever. Gezien de hoogte van de tarieven zullen er maar weinig zijn die aan een gemiddeld uurtarief van meer dan € 75,- komen Veel duurzame samenwerkingsrelaties tussen tandartsen-opdrachtgevers en -opdrachtnemers lijken daarmee op basis van de geplande criteria niet langer te kwalificeren als overeenkomsten tussen ondernemers.

Op dit moment

Aan het einde van het lopende kalenderjaar kan er niet veel meer veranderen aan een bestaande werksituatie. De overeenkomst van opdracht biedt in voldoende mate ondernemerskenmerken om als zodanig te kwalificeren. Maar daar moet dan wel invulling aan worden gegeven. Dus: declareren onder eigen naam / AGB code, daadwerkelijk debiteurenrisico lopen, actief opdrachten werven, in materiële zin investeren en dergelijke. En het nadenken over een verandering in de manier waarop duurzaam wordt samengewerkt, is sterk aan te bevelen.

De KNMT volgt uiteraard de ontwikkelingen rond de Wet DBA en werkt aan mogelijke alternatieve samenwerkingsvormen. Leden zullen zo snel mogelijk worden geïnformeerd wanneer er meer duidelijkheid is over de plannen van de overheid.

Tekst: Harry Korver, KNMT; Beeld; Shutterstock

0 reacties op De Wet DBA: kabinet Rutte 3 zint op aanpassingen