Mondzorg in 2030: vijf stellingen van Albert Feilzer

19 februari 2018

Hoe ziet de mondzorg eruit in 2030? Met een serie interviews brengt het NT de discussie op gang. ACTA-decaan Albert Feilzer geeft in dit tweede deel zijn visie op de mondzorg en het onderwijs in 2030. Volgens hem is er over twaalf jaar een wetenschappelijk opgeleide mondhygiënist en werken de huidige drie opleidingen tandheelkunde met hetzelfde curriculum. 

  1. ­In 2030 levert de opleiding tandheelkunde een bachelor tandheelkunde af die zich kan inschrijven als mondhygiënist.

    “Op verschillende terreinen in de gezondheidszorg loopt het momenteel niet lekker tussen hbo en wetenschappelijk opgeleide beroepen die hetzelfde werkgebied bestrijken. De mondzorg is één voorbeeld, de verloskunde een tweede. Als reactie op de problemen in die sector zie je dat universiteiten nu op wo-niveau verloskundeopleidingen oprichten. Ook voor de mondzorgkundigen is dat een oplossing. De hbo-opleidingen mondzorgkunde worden door een wetenschappelijke bachelor-opleiding tandheelkunde vervangen. De numerus fi xus voor de opleiding tandheelkunde moet dan verhoogd worden. Na de bachelorfase wordt een knip aangebracht. De wetenschappelijk opgeleide bachelor tandheelkunde kan zich dan in het BIG-register in toeschrijven als mondhygiënist en legt zich toe op de eenvoudiger verrichtingen. Studenten die daarvoor in aanmerking komen – en zelf willen – volgen de master en bekwamen zich daar verder in ingewikkelder tandheelkunde. Ze kunnen zich daarna als tandarts in het BIG-register inschrijven. Een dergelijke verandering doet recht aan de mondhygiënist die nu het hbo-niveau wenst te ontstijgen.”

  2. Het opleiden in manueeltechnisch handelen is minder belangrijk.

    “Wie nu afstudeert en nog veertig jaar mee moet, kun je in de opleiding alleen maar meegeven: leer omgaan met veranderen. Want in de tandheelkunde gaat de komende jaren meer techniek worden toegepast. Dat maakt tegelijk het werk qua manueel– technisch handelen relatief simpeler. Een voorbeeld: het moeilijke van het huidige scannen is de rand van de tand in beeld te krijgen. Het tandvlees zit immers in de weg. In 2030 kunnen we daar doorheen kijken, er is al een patent op een intraorale scanner die dat kan. Zo wordt kroon- en brugwerk een fluitje van een cent. Of neem implantologie. Een van de moeilijkste onderdelen is het soft tissue management: waar geen bot zit de esthetiek zo doen dat het echt lijkt. Dankzij actieve eiwitten, bijvoorbeeld Bone Morphogenetic Proteins (BMP’s) is dat probleem over tien tot twintig jaar verleden tijd. Je spuit die eiwitten onderhuids in, waarna er nieuw bot ontstaat. Zo is in 2030 heel veel technisch handelen wat nu eigenlijk alleen door gedifferentieerde tandartsen kan worden gedaan, terug bij de algemene praktijk.”

    “Tegelijk is tandheelkunde in 2030 nog meer medisch georiënteerd. ACTA heeft daar het voordeel dat, toen tandheelkunde afscheid nam van de faculteit geneeskunde, we een aantal basiswetenschappelijke vakgebieden hebben meegenomen: celbiologie, microbiologie, biochemie… Nu al is bij ACTA de gnathologie als occlusieleer bijna geheel vervangen door de orale kinesiologie, die deze gebitsproblematiek vanuit de bewegingsleer en neurologie oppakt. Neurologie speelt over twaalf jaar ook een veel grotere rol dan nu. En bij ouderen is de interactie met medicijnen giga. Om dat te onderwijzen is veel kennis nodig. Die is ook nodig om het vak levend te houden, ook qua onderzoek. De universiteit moet de vragen uit de zorg blijven onderzoeken en daar antwoorden op formuleren. Dat is onze wetenschappelijke taak, die ons tegelijk jong en vernieuwend houdt.”

  3. De tandarts heeft geleerd over de grenzen van zijn beroep heen te kijken.

    “Wij leiden momenteel tandartsen op die in feite hebben geleerd in hun praktijk te wachten op patiënten die naar hen toekomen. Gechargeerd: tandartsen voelen zich bepaald niet verantwoordelijk voor die mevrouw met kiespijn op driehoog achter die niet naar buiten kan. Dat is niet vreemd, geen enkele tandarts heeft dat tijdens zijn opleiding geleerd. Maar kijk naar de huisarts; die overlegt geregeld met wijkteams met daarin onder meer verloskundigen, fysiotherapeuten en een psycholoog om te horen wat er in de wijk speelt. Ook de tandarts moet in die zin veranderen, want de maatschappij verwacht het van hem.”

    “Wij passen de opleiding daarom aan, opdat toekomstige tandartsen zich bewuster zijn van hun verantwoordelijkheid naar de samenleving. Eén van de dingen die we nu gaan doen heet community service learning. Studenten doen iets voor de samenleving, iets wat past binnen hun opleiding en beeld van hun toekomstige beroep. Ze krijgen er studiepunten voor, schrijven er een scriptie over et cetera. Een voorbeeld? Katarina Jerkoviç leidt in Utrecht een project waarbij ze via consultatiebureaus een gedragsverandering bij ouders van pasgeborenen probeert te bewerkstelligen. Daar zouden studenten tandheelkunde mooi in kunnen participeren. Al vind ik dat je die aanstaande ouders al eerder, via de verloskundige, zou moeten benaderen. Dus als de moeder nog zwanger is. Dan is haar motivatie om niet te roken, gezond te eten, niet te drinken et cetera veel groter.“

  4. Ook in 2030 is de startende tandarts klaar voor de praktijk.

    “Ook ik hoor regelmatig dat de opleidingen tandartsen afleveren die niet klaar zijn voor het vak. Dat is echter totale onzin. Toen ik afstudeerde waren wij zo zelfverzekerd dat we dachten dat we alles kon konden. Daardoor maakten we later in de praktijk fouten die voorkomen hadden kunnen worden. Inmiddels leiden we studenten wetenschappelijker op, we hebben de academische component aangescherpt. Dat maakt dat startende tandartsen automatisch meer twijfelen. Wetenschappelijke twijfel die door de zittende professie, die dat niet herkent, wordt gezien als onzekerheid. Over vijftien jaar is dat voorbij. Het gros van de professie herkent dan die wetenschappelijke twijfel omdat ze die zelf ook heeft.” “Iets anders is dat opleiden een langzaam proces is. Een masterstudent heeft na drie jaar iets van 3.500 UPT-punten, omgerekend zo’n 20.000 euro aan omzet. Een ervaren tandarts bij een keten doet daar ongeveer tien dagen over. Een jaar extra aan de opleiding plakken, wat wel eens wordt gesuggereerd, levert dan ook per definitie niet heel veel extra werkervaring op in moeilijk werk. En dat was in mijn tijd niet anders. Natuurlijk, startende tandartsen zijn niet op alle terreinen even goed voorbereid, maar ze weten allemaal wel hoe ze dat gaan bereiken. Wat het veld hierover zegt, is voor mij absoluut van waarde, maar het moet wel in een context worden geplaatst.”

  5. Over twaalf jaar werken de opleidingen onder één gezamenlijk curriculum.

    “Een opleiding Tandheelkunde die gezond en duurzaam wil zijn en blijven, moet een jaarlijkse instroom van minimaal tachtig studenten hebben en het aantal hoogleraren dat daarbij past. Alle complimenten voor Groningen, ik vind het heel knap hoe het daar werkt, maar mijns inziens zal het heel moeilijk zijn de opleiding tandheelkunde daar zelfstandig in de lucht te houden. Zeker in de volle breedte van het vak zoals dat zich gaat ontwikkelen. Om diezelfde reden zie ik het niet gebeuren dat er, zoals wel wordt geopperd, in Rotterdam een vierde opleiding van start zal gaan. Ik zie wel, in weerwil van het onterechte verwijt dat ACTA altijd alles wil inpikken, de noodzaak van één gezamenlijk curriculum, waarbij modules kunnen worden uitgewisseld en wij elkaar kunnen versterken."

CV
Albert Feilzer (1957) studeerde in 1982 af aan de UvA, waar hij in 1989 ook promoveerde. Van 1982 tot 1998 werkte hij in deeltijd als algemeen practicus. Tussen 1998 en 2001 was hij directeur Zorg en wetenschappelijk medewerker bij de sectie Tandheelkundige Materiaalwetenschappen bij ACTA. In 1999 werd hij er benoemd tot bijzonder hoogleraar Kwaliteit van tandheelkundige materialen, instrumenten en technieken. Hij was van 2001 tot 2007 tevens bijzonder hoogleraar Standaardisatie en Normalisatie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In 2009 werd Feilzer benoemd tot ACTA-decaan.

Tekst: Evert Berkel, beeld: Rob Ter Bekke

 

0 reacties op Mondzorg in 2030: vijf stellingen van Albert Feilzer