Mondzorg in 2030: zeven stellingen van Loek Winter

23 januari 2018

Hoe ziet de mondzorg eruit in 2030? Met een serie interviews brengt het NT de discussie op gang. Zorgondernemer Loek Winter verricht de aftrap. Enkele van zijn stellingen: er komen ‘belevingspraktijken’ en ketenvorming gaat de komende jaren ten koste van de solist.

1. In 2030 is veel gezondheidszorg homebased.

“In plaats van ergens naartoe te gaan, regel je veel meer thuis, via de tablet of laptop. Je haalt via dr. Google geneeskundige informatie over jouw klacht op, deelt die via internet en komt zo in contact met duizenden lotgenoten met dezelfde klacht. Zo weet je in feite al heel snel meer dan die ene arts achter zijn bureau, die maar een beperkt aantal patiënten met jouw klacht heeft. Over een jaar of vijftien doe je op die manier ook je eigen metingen: bloeddruk, gewicht, suiker… Daar heb je de arts niet meer voor nodig. Voor de anamnese speelt informatica een prominente rol, met behulp van SIRI-achtige modellen. Je noemt je klacht met de diverse bijzonderheden en een computer stelt op basis daarvan een diagnose. Medicamenten en zorgmaterialen bestel je vervolgens vanuit je luie stoel. Of je print de laatste zelf. Zo verandert de rol van de medicus.”

2. Voor de mondzorg blijft praktijkbezoek vaak nodig.

”Ik had laatst een gaatje waarvoor geboord moest worden. In 2030 zal dat niet anders zijn. Ook thuis zelf een gaatje vullen, lukt dan nog niet. Juist bij de tandarts is een praktijkbezoek dus vaak nog nodig, want hij heeft specifieke expertise en gebruikt speciale apparatuur. Dat homebased gebeuren zal zich in de tandheelkunde beperken tot voorlichting, preventie en diagnostiek. Zelf thuis een scan van je gebit maken is immers niet zo lastig, waarop de tandarts kan bepalen of het nodig is langs te komen of niet. Hier wordt SIRI overigens wel belangrijk. Je zegt: ik heb tandpijn, aan de kant van de wang, zonder koorts ter hoogte van de derde kies, en er rolt een diagnose uit.”

3. De solistisch werkende tandarts is over dertien jaar grotendeels verdwenen.

“De feminisering zet sterk door en de meeste vrouwen willen geen eigen winkel, maar een ma-tot-dobaan. En die vind je in de groepspraktijk. Zo’n praktijk heeft het profiel van een optimum firm size. Als je continuïteit wilt en kwaliteit, en je wilt beantwoorden aan de vraag van de consument, dan is de optimum firm size niet een praktijk met één tandarts op de hoek van de straat. Dat is het model 1970, waarbij je je afvraagt of de tandarts door een gebrek aan feedback wel volgens de laatste inzichten werkt. Bovendien, zo leuk lijkt mij het vak niet om het dertig of veertig jaar in je eentje te doen.”

4. Het model 2030 is een praktijk waar een patiënt voor alle behandelingen terecht kan.

“Een plek voor reguliere mondzorg, differentiaties, preventie, esthetiek, orthodontie, voorlichting, kaakchirurgie. En dus optimum firm size, met pakweg zes tandartsen, een mondhygiënist, een kaakchirurg en een orthodontist. Het is ook een centrum met beleven, met beeld en geluid. Informatie en preventie worden er breed uitgedragen. Ik zou zo’n centrum www.alstandenkondenkiezen.nl noemen, alles op één plek, een belevingscentrum voor mondzorg, meestal deel uitmakend van een keten. Anderzijds vragen patiënten om pluriformiteit. Er is dus ook ruimte voor de no-nonsensepraktijk in een achterstandswijk, omdat niet iedereen behoefte heeft aan een belevingspraktijk. Deze ontwikkelingen vinden plaats binnen het bestaande financieringsmodel. Dat biedt voldoende mogelijkheden, mits kaakchirurgen, orthodontisten en tandartsen bereid zijn bij elkaar te gaan zitten. Dat zal de grootste hobbel zijn. Maar mijns inziens zijn de tarieven toereikend, als je extra toegevoegde waarde genereert. Zoals de belevingspraktijk waar je convenience creëert.”

5. Patiënten zijn in 2030 bereid te reizen voor een praktijk die convenience biedt.

Voor mijn eigen klinieken heb ik onderzocht of die bereidheid er is. Als iets nieuw is, doet alleen de elite dat. Bestaat het langer, dan vinden steeds meer mensen het normaal om voor zorg zo’n kliniek te bezoeken. Dan is het ook geen probleem dat ze ervoor op pad moeten. Dertig procent van de mensen zoekt in 2030 zijn zorg nog steeds dichtbij, de rest is bereid te reizen voor focuszorg. Die ontwikkeling doet zich ook in de tandheelkunde voor. Hoe lang men bereid is te reizen, hangt van de soort zorg af. Voor een oncologische behandeling is dat twee uur, voor dotteren zelfs vier uur. Over tandheelkunde heb ik geen cijfers, maar zal het ongetwijfeld wat korter zijn.”

6. Ketens met een gestandaardiseerde werkwijze voeren in 2030 de boventoon.

“Dat is onontkoombaar, want de kwaliteitseisen nemen de komende vijftien jaar toe, net als de druk op de kostprijs. Ketens werken goedkoper dan éénpitters, mede dankzij die standaardisering. En die is ook beter voor de geleverde kwaliteit. Kijk, bij McDonalds maak je je er geen zorgen over of het eten aan de standaarden voldoet. Het is in elke vestiging hetzelfde. Het is rotzooi, maar je weet wel dat het rotzooi is. Je weet ook altijd wat het je kost, en ook dat je geen uren op je bestelling hoeft te wachten. Bij een willekeurige Italiaan om de hoek weet je dat vooraf meestal niet. Ketens bieden, kortom, voorspelbaarheid. De meetbare kwaliteit gaat daarmee aanmerkelijk omhoog, zonder dat ik zeg dat er in de tandheelkunde slecht wordt gewerkt. Tandartsen zijn professionals, maar de verschillen in werkwijzen zijn groot. Standaardisering vlakt die verschillen af, wat bevorderend is voor de kwaliteit. Dan verlies je weliswaar een deel van je autonomie, maar dat komt ten goede aan de taak die een tandarts heeft: het leveren van goede zorg aan je patiënten.”

7. Het is onzin dat uitsluitend een tandarts de leiding over een keten zou mogen hebben.

“Als je een keten opzet, zet je hem duaal op. Ik heb zelf gekozen voor een model waar twee artsen en een manager eindverantwoordelijk zijn voor de dagelijkse gang van zaken bij tussen de vijf en vijftien vestigingen. Een keer per jaar spreekt de directie – ik dus – met de raad van advies – twee hoogleraren en een ex-patiënt – en dat managementteam. We beoordelen dan of we bezig zijn met de goede dingen en lossen knelpunten op. Die twee artsen in het managementteam staan ook gewoon nog op de werkvloer. Belangrijk, want als je een keten bestiert, moet je de business begrijpen. Die business is het verlenen van zorg, dat mag je niet uit het oog verliezen Als je alleen maar bezig bent met inkomsten en uitgaven is er het risico dat je de ziel uit de onderneming knijpt. Tandartsen die niet in de praktijk werken, raken op een gegeven moment disconnected. En denk je nu werkelijk dat een specialist, arts of tandarts voor een manager wil werken? Nee, die werkt alleen voor iemand met verstand van zaken die hoger in de pikorde staat. NT

CV Loek Winter

Zorgondernemer Loek Winter (1959), opgeleid als radioloog, geeft leiding aan verschillende medisch-specialistische centra. Zo is hij directeur bij een aantal zogeheten Focusklinieken, ketens rondom de thema’s huid en uiterlijk, pijn en diagnostiek. Hij zit in de dementiezorg en, via de Thomashuizen, de gehandicaptenzorg. Ook is hij betrokken bij ziekenhuizen in Lelystad, Emmeloord en Amsterdam. Tussen 2011 en 2014 bekleedde hij het hoogleraarschap Healthcare Entrepreneurship aan de Nyenrode Business Universiteit.