Mafkees

Eerste jaar na afstuderen, bij een beetje volle agenda al veel uitloop en een volle wachtkamer. Een jongen van mijn leeftijd komt met brede passen binnen, ondanks zijn tengere postuur. Onder de tattoos. Zwaar Brabants accent en zwelling in het gelaat.

Eén blik in de mond is voldoende; een totaal verwoeste kies linksonder (element 36 voor collegae). Ik geef aan dat ik het er vreemd uit vind zien, alsof de kies niet alleen door de cariës is aangetast.

De patiënt vertelt, alsof het de normaalste zaak van de wereld is, dat toen één van mijn collega’s de kies niet had willen trekken hij het zelf maar had geprobeerd. Thuis, met een tang. Inmiddels 9 maanden geleden. In het journaal stond inderdaad dat de patiënt boos was weggelopen nadat de betreffende tandarts had uitgelegd dat hij de kies niet ging trekken, omdat deze nog gemakkelijk te behouden was met een vulling. Nu kon ik de restanten verwijderen.

Een week later zag ik hem opnieuw. Hij wilde een kunstgebit. 26 jaar oud. Een gave dentitie, op misschien twee cariëslaesies (en de ontbrekende 36) na. Gingivitis, tandsteen. Waarom een kunstgebit?

En hij brak. De stoere Brabander vroeg me met tranen in zijn ogen om een kunstgebit, en ik kon het hem niet geven. Ik heb een half uur met hem gepraat, om uit te leggen in wat voor misère hij zich zou gooien, dat ik geen gezonde tanden en kiezen zou trekken, en om uit te zoeken waarom hij zo nodig van zijn eigen tanden af wilde. Hij vond zijn gebit zo lelijk. Het ging om de crowding in het onderfront. Dat het geen rechte rij witte tanden was. En dat hij zoveel geld kwijt was aan de tandarts, dat hij geen behandelingen wilde, er nooit meer naar toe wilde, en dus maar beter in één keer alles kon laten trekken.  

Ik kon hem niet overtuigen. ‘Geen tandarts gaat dit doen,’ zei ik. Terwijl hij woedend de deur uit liep, riep hij zijn laatste woorden: ‘Dan haal ik ze er zelf toch uit, mafkees!’.

Irene Beekhuis