NZa moet Europees recht meewegen bij vaststellen maximumtarieven

07 april 2016

De NZa moet bij stelselwijzigingen en tariefaanvragen van individuele tandartsen het Europese normenkader van rechtvaardiging en proportionaliteit meewegen. Dit heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) geoordeeld in de zaak die de KNMT had aangespannen om regulering in het privaat gefinancierde deel van de mondzorg aan de kaak te stellen.

Volgens de KNMT zijn maximumtarieven voor privaat gefinancierde tandheelkundige zorg in strijd met het Europese recht. Ze vormen een belemmering voor het vrije verkeer van goederen en diensten zonder dat hiervoor een rechtvaardiging bestaat. Dit in tegenstelling tot de opvatting van de NZa dat mondzorg een interne situatie is waarop het Europese recht niet van toepassing is. De rechter stelt de KNMT op dit punt in het gelijk en oordeelt dat tarieven in de mondzorg aan het Europese recht moeten worden getoetst voordat ze mogen worden vastgesteld.

De rechter oordeelt echter tegelijkertijd dat de potentiële belemmering door het hanteren van maximumtarieven wordt gerechtvaardigd vanuit het algemene consumentenbelang. Dit ondanks het feit dat het gaat om zorg die niet in de basisverzekering zit en dus door de patiënt zelf wordt betaald. De rechter is van oordeel dat maximumtarieven nodig zijn om de betaalbaarheid en toegankelijkheid van aanvullende mondzorg voor de consument te waarborgen. Naar het oordeel van de KNMT betekent dit echter ook dat de mogelijkheden voor patiënten om zelf hun tandheelkundige zorg te kiezen niet worden verruimd, ook al betalen zij deze zorg zelf.

Het aan de kaak stellen van regulering van het privaat gefinancierde deel van de mondzorg is voor de KNMT een principekwestie. De KNMT is van mening dat tandartsen en patiënten de ruimte moeten hebben om in onderling overleg te kunnen kiezen voor (innovatieve) behandelingen om zo meer mondzorg op maat mogelijk te maken. Tegen de uitspraak van het CBb is geen beroep mogelijk.

Lees meer over: