Tweede Kamerleden over de borende mondhygiënist: “Taakherschikking lost tekort aan tandartsen niet op”

22 juni 2018

Een dezer dagen meldt Bruno Bruins, minister voor Medische Zorg, de Tweede Kamer dat hij een vijfjarig experiment wil starten met verdere verzelfstandiging van de mondhygiënist. Maar wat vindt de Tweede Kamer? Vier Kamerleden geven hun mening.

Nu minister Bruno Bruins besloten heeft in 2020 daadwerkelijk een experiment te starten met meer zelfstandigheid voor mondhygiënisten, kan alleen de Tweede Kamer in dit stadium nog een spaak in het wiel steken. Het NT was benieuwd hoe die tegen de zelfstandig bevoegde mondhygiënist aankijkt en legde de woordvoerders gezondheidszorg van de dertien fracties in de Tweede Kamer drie stellingen voor. Dat leverde vier reacties op: van Tunahan Kuzu (DENK), Joba van den Berg (CDA), Henk van Gerwen (SP) en Kees van der Staaij (SGP).

Hoe zat het ook al weer?

Nog even ter herinnering, het experiment van minister Bruno Bruins voor Medische Zorg houdt in dat mondhygiënisten met ingang van 2020 zonder opdracht of toezicht van een tandarts primaire caviteiten mogen behandelen, röntgenfoto’s maken en lokale anesthesie toepassen. Ook mag de mondhygiënist voorbehouden handelingen overdragen aan niet-zelfstandig bevoegden, zoals de preventie-assistent. Daar staat tegenover dat de mondhygiënist onder het medisch tuchtrecht wordt geplaatst. De verruimde zelfstandigheid geldt voor vierjarig opgeleide mondhygiënisten, op voorwaarde dat die zich nog verder scholen op het gebied van röntgen. Mondhygiënisten die aan de kwalificatie voldoen, mogen zich in een register inschrijven en de titel geregistreerd mondhygiënist voeren.

Stelling 1

Bijna alle patiënten vinden het een slecht idee om mondhygiënisten zelfstandig gaatjes te laten vullen. Bovendien raakt de mondzorg versnipperd en wordt duurder, en de kwaliteit komt onder druk te staan. Het is onverstandig hiermee te experimenteren.

Joba van den Berg (CDA)

“Eens of oneens, dat kan ik moeilijk zeggen. Het CDA is niet tegen pilots, niet tegen taakherschikking en we vinden het belangrijk dat patiënten een keuze hebben. Máár, wij vinden het ook noodzakelijk dat er concrete criteria worden afgesproken voor wanneer het experiment geslaagd is en wanneer niet. Ik heb altijd geleerd: meten is weten en gissen is missen. Die criteria hebben we van de minister nog niet vernomen. We zullen dan ook kritisch naar de algemene maatregel van bestuur kijken zodra die er is.”

Henk van Gerven (SP)

“Eens. De mondzorg wordt er inderdaad niet goedkoper van. Ook het Capaciteitsorgaan (dat de opleidingscapaciteit in de zorg onderzoekt en erover rapporteert aan de overheid en zorgsector, red.) heeft in de discussie rond de taakherschikking aangegeven dat dat proces stagneert. Mondhygiënisten zijn vooral opgeleid voor preventieve taken, niet direct om gaatjes te vullen. Er is niks mis mee dat ze dat onder supervisie van de tandarts toch doen, maar houd het daarbij.”

Kees van der Staaij (SGP)

“Oneens. Juist experimenten kunnen helpen om te bepalen wat wel en niet verstandig is. Bovendien weet ik niet of bijna alle patiënten het een slecht idee vinden om mondhygiënisten zelfstandig gaatjes te laten vullen. Er zijn namelijk ook patiënten die het fijn zouden vinden om meer keuzevrijheid te krijgen bij het kiezen van een hulpverlener. Bovendien kan grotere zelfstandigheid voor mondhygiënisten bijdragen aan de oplossing voor het capaciteitsprobleem van tandartsen. Het is nog te vroeg om een definitief oordeel over de wenselijkheid van het experiment te vellen, omdat de uitwerking daarvan alleen nog maar op hoofdlijnen bekend is. Voor de SGP is van belang dat de patiënt keuzevrijheid heeft, dat de kwaliteit van zorg op orde is en dat de kosten beheersbaar blijven.”

Tunahan Kuzu (DENK)

“Eens. KNMT, ANT en de opleidingen hebben al aangegeven dit een onverstandig experiment te vinden. Maar er is een tekort aan tandartsen, en sinds de invoering van de taaleis komen er ook minder buitenlandse tandartsen bij. Dus er moet wel iets gebeuren. Ik vind dat je best kunt zoeken naar mogelijkheden om taken te herschikken, maar de eindverantwoordelijkheid moet geborgd zijn. En die ligt bij de tandarts. Zo niet, dan krijg je kwaliteitsverlies. Een belangrijke voorwaarde is dus dat de mondhygiënist onder één dak werkt met de tandarts. De mondzorg wordt door taakherschikking niet duurder, maar het gaat om een gezonde balans tussen prijs en kwaliteit. En daar maak ik me ernstige zorgen over.”

Mondzorg is teamwork

Volgens de KNMT is dé manier om patiënten goede en betaalbare zorg voor hun gebit te garanderen niet de herverdeling van taken maar het organiseren van mondzorg onder één dak. In die setting richt de tandarts – die verantwoordelijk is voor de diagnose en het behandelplan – zich primair op genezing en de mondhygiënist op preventie. Ze worden ondersteund door de assistent en doen hun werk vanuit dezelfde vestiging, met dezelfde apparatuur, vanuit één agenda en op basis van hetzelfde patiëntendossier.

Stelling 2

Het kabinet moet het tekort aan tandartsen oplossen door in Nederland aanzienlijk meer opleidingsplaatsen te creëren.

Joba van den Berg (CDA)

“Eens. Want zelfs taakherschikking leidt op korte termijn niet tot voldoende capaciteit om de uitstroom op te vangen. In februari, tijdens een overleg met de minister, heb ik gevraagd waarom het Capaciteitsorgaan al sinds 2013 geen inventarisatie van de opleidingsplaatsen in de tandheelkunde meer mag maken. Het antwoord was dat dit door een andere partij wordt gedaan. We hopen de rapportage van die partij voor het zomerreces te ontvangen.”

Henk van Gerven (SP)

“Eens. Het is bizar dat elk jaar driehonderd tandartsen stoppen en dat er maar tweehonderd per jaar worden opgeleid. Je hebt geen wiskundeknobbel nodig om uit te rekenen dat dat tot een tekort leidt en dat de opleidingscapaciteit dus omhoog moet. Minimaal naar driehonderd plaatsen, maar eigenlijk meer. Als gevolg van de feminisering van het vak en doordat ook mannelijke tandartsen vaker parttime willen werken, zijn er méér tandartsen nodig. Omlaag brengen van de opleidingscapaciteit is gewoon een bezuinigingsmaatregel en staat op gespannen voet met de kwaliteit van de mondzorg.”

Kees van der Staaij (SGP)

“Eens. Het tekort aan tandartsen en mondhygiënisten loopt in Nederland snel op. Wij vinden dat bij het zoeken naar oplossingen daarvoor zowel rekening gehouden moet worden met het tekort aan tandartsen als met het tekort aan mondhygiënisten. De opleidingscapaciteit voor beide beroepsgroepen moet zodanig worden vastgesteld dat het capaciteitsprobleem in de nabije toekomst wordt opgelost.”

Tunahan Kuzu (DENK)

“Eens. Maar ik ben voorstander van een integrale aanpak en met het oplossen van één aspect kom je er niet. Je moet ook kijken naar het aanbod van de opleidingen en naar de tevredenheid van studenten. Als er veel voortijdig uitstromen, dan moet je onderzoeken waarom.”

Opleidingscapaciteit

Het standpunt van de KNMT (zie kaders Bezwaren en Mondzorg is teamwork) werd door voorzitter Wolter Brands ook verwoord in gesprekken die hij persoonlijk met Tweede Kamerleden van onder meer de VVD, het CDA en de PvDA voerde, en die hij ook zal intensiveren. Tijdens deze gesprekken kwam steevast ook de groeiende afhankelijkheid van buitenlandse tandartsen ter sprake. Waar de Kamer de minister lijkt te volgen met betrekking tot taakherschikking, lijkt het pleidooi van Brands om de opleidingscapaciteit in Nederland te verhogen, in goede aarde te vallen. De vier Kamerleden in dit artikel zijn er in ieder geval voorstander van.

Stelling 3

Een proef met mondhygiënisten die meer behandelingen zelfstandig mogen uitvoeren, is alleen geslaagd als objectief wordt aangetoond dat dit leidt tot én betere zorg en én lagere kosten.

Joba van den Berg (CDA)

“Oneens. Betere zorg en lagere kosten zijn zeker punten waar we naar kijken, maar er zijn andere combinaties mogelijk: betere zorg tegen hetzelfde tarief, of dezelfde kwaliteit tegen lagere kosten. Ik hoor geluiden dat extra apparatuur zal moeten worden aangeschaft en dat de mondzorg dus juist duurder wordt. Dat is het paard achter de wagen spannen. Voor ons is goede zorg: beschikbaar, bereikbaar, betaalbaar. Gezien de vergrijzing zullen we keuzes moeten maken in de zorg. Een gezond gebit is belangrijk voor de gezondheid van de rest van het lichaam, dus goede mondzorg is essentieel. Ook voor het sociale aspect: dat mensen vrij kunnen lachen. Een rotte kies moet dus opgelost worden, maar moeten gebitten nog mooier worden, in esthetisch opzicht? Dus: betere zorg? Ja, maar dan wil ik wel weten waar dat ‘betere’ in zit. Daarom vinden we die criteria ook zo belangrijk.”

Henk van Gerven (SP)

“Eens. Maar wat ik het belangrijkste vind, is dat een taakherschikking zou moeten leiden tot betere kwaliteit van zorg. Ik geloof daar niet in, die kwaliteit komt juist onder druk te staan. Dat een taakherschikking als deze tot lagere kosten zou leiden, betwijfel ik zoals gezegd ook. Ik geloof er meer in dat je de kosten omlaag kunt brengen door meer te investeren in preventie. Begin daarmee al op de consultatiebureaus, bij baby’s vanaf tien maanden, en kleine kinderen. Daar valt echt winst mee te boeken en daar zou ik op inzetten.”

Kees van der Staaij (SGP)

“Oneens. Het streven moet wél zijn: betere zorg en lagere kosten. Maar het experiment kan volgens ons ook geslaagd zijn als de zorg dezelfde kwaliteit houdt en de kosten gelijk blijven. Het voordeel is in dat geval dat er meer keuzevrijheid is voor de patiënt dan in de huidige situatie.”

Tunahan Kuzu (DENK)

“Eens. Dat is het mooiste scenario natuurlijk, wie wil dat niet?! Daarom zeg ik ook: je moet niet lukraak taken gaan herverdelen. Het allerbelangrijkste, cruciaal zelfs, vind ik dat de veldpartijen dit experiment voltallig onderschrijven. Als het niet breed wordt gedragen, gaat het niet lukken en kun je er maar beter niet aan beginnen.”

Bezwaren

De KNMT was – en is – fel tegen de plannen van Bruins en stak haar mening niet onder stoelen of banken: de kwaliteit van de mondzorg is er niet bij gebaat, de mondzorg wordt duurder en de patiënt zelf zegt bij voorkeur door een tandarts te worden behandeld. Verder wijst de beroepsorganisatie erop dat het experiment strijdig is met de eisen van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen in de zorg (Wkkgz) Die wet verplicht zorgaanbieders tot het aanbieden van goede zorg: zorg die in ieder geval veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. De maatregel staat op al deze punten haaks op deze wetgeving. De ANT, de opleidingen en de Council of European Dentists (CED) hadden vergelijkbare bezwaren. De KNMT was wel de enige die, omwille van de patiënt, met een alternatief kwam: laat de mondhygiënist zelfstandig röntgenfoto’s maken en lokale anesthesie toepassen, boren en vullen vindt nog steeds plaats na verwijzing van een tandarts. Een alternatief dat sneuvelde omdat de andere partijen niet verder wilden praten.