De onmisbare rol van tandartsen in tuchtcolleges

19 november 2018

De zes Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg – vijf regionaal en één centraal – zijn samengesteld uit juristen en beroepsgenoten. Als een tandarts voor een tuchtcollege verschijnt, zijn die beroepsgenoten dus tandartsen. Als het goed is, zijn dat ‘mensen die zelf met hun voeten in de modder staan’. Wat zijn de eisen voor deze functie en hoe transparant is het benoemingsproces?

Een jaar of veertien geleden werd Robert van der Velden, tandarts in Assen, voor een functie bij het Regionaal Tuchtcollege in Groningen gevraagd. Een paar jaar later stapte hij over naar het Centraal Tuchtcollege. “Ik kwam destijds in beeld als voorzitter van de KNMT-werkgroep Beroepsuitoefening. Bovendien heb ik naast tandheelkunde ook rechtsgeleerdheid gestudeerd. De functie bij het tuchtcollege was voor mij dus heel interessant. Ik had geluk dat er een functie vrijkwam en dat het oog op mij viel, want je kon niet op zo’n functie solliciteren.”

Ook Rob van Gorp, tandarts in Tilburg, werd acht jaar geleden als beroepsgenoot gevraagd. Hij werd benaderd omdat hij indertijd lid was van een regionale beoordelingsraad van de KNMT. Van Gorp maakt nu deel uit van het tuchtcollege in Eindhoven, maar wordt ook geregeld door de andere regionale tuchtcolleges gevraagd. Per jaar doet hij zo’n vier tot vijf zittingen waarbij iedere keer vier of vijf zaken worden behandeld.

Nadat ze met het verzoek hadden ingestemd en hun antecedenten waren gecheckt, werden beide op voordracht van de minister van VWS bij koninklijk besluit tot lid-beroepsgenoot benoemd. Een benoeming geldt voor zes jaar, maar leden kunnen tot hun zeventigste worden herbenoemd.

De KNMT is tevreden over het functioneren van de tuchtcolleges. Wel zou de beroepsorganisatie graag zien dat de benoemingsprocedure voor leden-beroepsgenoten opener en transparanter wordt. “Meestal krijgen wij namen ter instemming voorgelegd”, zegt voorzitter Wolter Brands – zelf ook tandarts en jurist. “Dit zijn vrijwel altijd mensen die binnen de kring van een tuchtcollege bekend zijn; een vorm van coöptatie dus. Maar het zou best kunnen dat ook anderen heel geschikt zijn en, als dat zou kunnen, op zo’n functie willen solliciteren”.

Daarom pleit de KNMT ervoor dat de wervingsprocedure zo open en transparant mogelijk verloopt. Brands: “Als de vacatures voor beroepsgenoten bij ons als beroepsvereniging worden gemeld, kunnen wij ze publiceren, zodat iedereen de kans krijgt om te solliciteren. Op die manier kan de meest geschikte kandidaat worden gevonden.”

Open procedure

Bij een aantal andere beroepsverenigingen in de gezondheidszorg is deze open procedure al gemeengoed. De Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV) bijvoorbeeld had onlangs een vacature voor een lid-beroepsgenoot voor het tuchtcollege in Eindhoven op haar website staan. In de profielbeschrijving stond precies aan welke eisen een beroepsgenoot moet voldoen, waaronder ruime praktijkervaring, een goede reputatie bij vakgenoten, kennis van recente ontwikkelingen in het vak en een rechterlijke attitude.

Onmisbare leden

Nederland telt vijf Regionale Tuchtcolleges, elk met een eigen werkgebied, en een Centraal Tuchtcollege dat zaken in hoger beroep behandelt. Jenneke Rowel-van der Linde is voorzitter van dat Centraal Tuchtcollege. In haar ogen zijn de leden-beroepsgenoten onmisbaar voor het goed functioneren van de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg.

“Een tuchtprocedure begint met een klacht die bij een Regionaal Tuchtcollege binnenkomt. De klager en de zorgverlener krijgen dan de gelegenheid om hun standpunt schriftelijk en mondeling toe te lichten. Daarna beslist het college of de klacht gegrond of ongegrond is. Een jurist kan niet beoordelen of een zorgverlener in een bepaalde situatie heeft gehandeld zoals je redelijkerwijs van die professional kunt verwachten. De beroepsgenoten kunnen dat wel. Zij kijken of hun beroepsgenoot volgens de standaarden heeft gehandeld.”

Bij een gegronde klacht kan het college een maatregel opleggen, variërend van een waarschuwing tot het schrappen uit het BIG-register. Als de klager of zorgverlener het niet met de uitspraak eens is, kan hij in beroep gaan bij het centraal tuchtcollege, dat de zaak dan opnieuw beziet.

Rowel: “Er is een belangrijk verschil tussen een Regionaal Tuchtcollege en het Centraal Tuchtcollege. Bij een zitting van een Regionaal Tuchtcollege zijn twee juristen en drie beroepsgenoten aanwezig, waardoor het accent op de beoordeling van de beroepsuitoefening ligt. Bij zittingen van het Centraal Tuchtcollege is dat juist andersom: drie juristen en twee leden-beroepsgenoten. Daardoor ligt het accent wat meer op juridische aspecten.”

Profieleisen

Aan het profiel van leden-beroepsgenoten worden volgens Rowel flinke eisen gesteld. “Ze moeten in principe van onbesproken gedrag zijn, een goede reputatie hebben en worden gedragen door hun beroepsgroep. Veel ervaring is ook een must: minimaal vijf jaar, maar de meeste beroepsgenoten hebben tientallen jaren ervaring. Vanzelfsprekend wordt verwacht dat ze hun vakliteratuur bijhouden en op de hoogte zijn van nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast is het van belang dat ze onafhankelijk kunnen oordelen en een rechterlijke attitude hebben. Ook moeten ze goed kunnen luisteren en kritisch kunnen doorvragen. Daar krijgen leden na hun benoeming overigens ook een training in.”

Bij een vacature voor een beroepsgenoot klopt het Centraal Tuchtcollege altijd aan bij de beroepsverenigingen. “Dat is de koninklijke route”, zegt Rowel. “Het is in het belang van de beroepsverenigingen om de kwaliteit van het vak hoog te houden, daarom verwachten wij van hen een actieve rol. De ene beroepsvereniging publiceert de vacature op haar website of in een nieuwsbrief, de andere gaat zelf op zoek naar kandidaten die aan het gewenste profiel voldoen. Uiteindelijk krijgen wij een aantal namen van mensen met wie wij in gesprek gaan.”

Of de regionale tuchtcolleges op diezelfde manier met vacatures en benoemingen omgaan, is Rowel niet bekend. “Ik denk dat wij als Centraal Tuchtcollege een voorbeeldfunctie hebben. Daarom wil ik dit punt zeker bij de Regionale Tuchtcolleges onder de aandacht brengen. Het moet duidelijk zijn dat er bij dit soort benoemingen geen vriendjespolitiek wordt bedreven. Hoe opener en transparanter de procedure verloopt, hoe beter.”

Rob van Gorp, Regionaal Tuchtcollege Eindhoven

 “Wat de belangrijkste eis of eigenschap voor een lid van het tuchtcollege is? Je moet weten wat het is om met je voeten in de modder te staan. In dit soort functies is twintig jaar ervaring beter dan tien jaar, want dan heb je zelf al het nodige meegemaakt en nederigheid geleerd. Nederigheid, dát is een belangrijke eigenschap voor een lid van het tuchtcollege.

Als lid-beroepsgenoot heb je de taak om de kwaliteit van het vak hoog te houden, maar ook om het belang van de patiënt en van de tandarts af te wegen. Een tandarts hoort de standaarden, protocollen en richtlijnen van het vak te volgen, maar er kunnen redenen zijn om daarvan af te wijken. Dan moet je dat wel goed vastleggen in het dossier. Je moet je kunnen verantwoorden. Op dit punt gaat het helaas nog wel eens mis.

De laatste jaren heb ik niet meegemaakt dat er nieuwe leden-beroepsgenoten werden gezocht. Het is de taak van de voorzitters van de tuchtcolleges om hun colleges samen te tellen. Ik heb niet de indruk dat het een old-boys-network is. Mensen moeten aan een bepaald profiel voldoen. Mijn ervaring is dat er in elke raadskamer altijd zeer zorgvuldig wordt nagedacht en afgewogen. Wat er in de raadskamer wordt besproken blijft geheim. Alleen de uitkomst van het beraad komt naar buiten. Ik vind het altijd bijzonder hoe zorgvuldig en respectvol die gesprekken gaan en hoe loyaal de leden van een college naar elkaar zijn.”

Robert van der Velden, Centraal Tuchtcollege

 “Het zou mooi zijn om de procedure voor het lidmaatschap van tuchtcolleges open te gooien. Anders blijft het vaak beperkt tot mensen die al in een bestuurlijk circuit zitten, terwijl er wellicht meer geschikte kandidaten zijn. Als lid-beroepsgenoot moet je iets hebben met conflictbemiddeling, niet te zwart-wit denken, met een helikopterblik kunnen kijken en je mening zo nodig kunnen bijstellen.

De uitspraken van een tuchtcollege zijn altijd voor discussie vatbaar. Dat is niet erg, het is juist belangrijk dat er over uitspraken wordt gediscussieerd. Dat is de manier om van een tuchtzaak te leren. Ik moet wel zeggen dat de discussie vaak over een beknopte samenvatting of een enkel aspect gaat. In werkelijkheid zijn dossiers vaak complex en liggen de feiten genuanceerd.

Ik zou het een goed idee vinden om als tuchtcolleges bijvoorbeeld eens per jaar met beroepsverenigingen als de KNMT om tafel te zitten om uitspraken en trends te bespreken. De feedback die wij vanuit de beroepsgroep krijgen, kan alleen maar leerzaam zijn. Omgekeerd kunnen wij de algemene lijnen toelichten of zaken verduidelijken. Op die manier kunnen we met z’n allen van tuchtzaken leren.”

Klachtenregeling

Naast tuchtrechtspraak was er voorheen sprake van verenigingsrechtspraak: patiënten konden ook bij de KNMT een klacht over hun tandarts indienen. Deze verenigingsrechtspraak heeft eind 2016 plaatsgemaakt voor een klachtenregeling in het kader van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorgsector (Wkkgz). De KNMT ondersteunt leden die in het kader van deze klachtenregeling met een klacht worden geconfronteerd via KNMT Klachtenservice. Voor praktijken is deze vanaf 2019 opgenomen in de KNMT praktijkmodule. Meer informatie: www.knmt.nl, zoek op klachtenservice.

Tekst: Corien Lambregtse

Lees meer over:

0 reacties op De onmisbare rol van tandartsen in tuchtcolleges